Carnica’s telen?

Let op de moer én de darren

Veel imkers doen niet zelf aan koninginnenteelt maar kopen Carnicakoninginnen (en F1-volkjes) van anderen. De telers zelf kijken voor raszuivere aankopen en dito bevruchting vaak naar het buitenland. Vooral naar Noordwest-Duitsland, dichtbij en met een soortgelijk klimaat en landschap. Jaarlijks wordt een flink aantal bevruchtingskastjes naar bevruchtingsstations op Duitse Waddeneilanden gebracht. Uit Slovenië en Oostenrijk worden ook wel P-moeren besteld.

In Nederland zijn Carnica-teeltstations op Schiermonnikoog en in Zeeuws-Vlaanderen (nl. het Belgische station ‘Kreverhille’). Een Carnica-bevruchtingsstation is er op Vlieland (beheerd door ‘Schier‘) en ook een in Ossenisse (Zeeuws-Vlaanderen) (beheerd door het ‘Kreverhille’).
Ook via kunstmatige inseminatie (KI) met raszuivere darren verkrijgt men P-koninginnen. KI binnen Nederland heeft als voordeel dat daarvoor niet zover gereisd hoeft te worden met de jonge koninginnen. Nog belangrijker is dat de slagingskans niet van het weer afhangt. En ze ligt in het algemeen hoog.

Bij elke gecontroleerde bevruchting moeten de ouderdieren natuurlijk goed op elkaar zijn afgestemd, bijvoorbeeld om inteelt te voorkomen.

Selectie

De eigenschappen en de kwaliteit van een bijenvolk worden beïnvloed door de imker. Maar de koningin, met het sperma in haar spermatheca, is het belangrijkst. Bedenk: ook raszuivere Carnicakoninginnen zijn niet alle hetzelfde! Daarom is koninginnenteelt en selectie op eigenschappen en kwaliteit (ook aan de darrenkant) erg belangrijk; sperma maakt immers de helft uit van het genetisch materiaal van de moer.
Selectie van teeltvolken kan ‘op het oog’, maar kan statistisch worden ondersteund met wetenschappelijke kennis uit het gebied van de landbouwhuisdieren. Een aantal Carnicatelers, verenigd in de Werkgroep Beebreed Nederland, maakt daar met succes gebruik van.